030-2447792 info@ecebv.nl Ma–Vr 08:30–16:30
✓ BORG / KIWA Gecertificeerd ⭐ 4.8 / 57 reviews Opgericht 1988

Welke detectoren zitten er in een alarmsysteem?

De detectoren in een alarmsysteem zijn zelden van één type; in de praktijk is het een combinatie. Bewegingsmelders zien iemand die al binnen is, magneetcontacten zien een deur of raam opengaan, glasbreukmelders horen een ruit sneuvelen en buitendetectie merkt iemand op voordat hij het pand raakt. Welke mix u nodig heeft, hangt af van het pand en van uw risicoklasse. Hoe die typen samenkomen in één plan, ziet u bij inbraakbeveiliging.

Bewegingsmelders

De PIR-melder is de bekendste. PIR staat voor passief infrarood: de melder reageert op veranderingen in warmtestraling, bijvoorbeeld doordat er een mens door de ruimte loopt. Betrouwbaar en zuinig, en daarom in vrijwel elke installatie te vinden. De volledige uitleg staat in wat betekent PIR.

Op plekken waar een PIR alleen te veel loze meldingen geeft, komt de dualtechnologie-melder in beeld. Die combineert passief infrarood met microgolfdetectie en geeft pas alarm als beide technieken iets zien. Handig in hallen met tocht, in ruimten met verwarmingsbuizen of waar de zon door een raam op de melder valt.

Heeft u huisdieren of loopt er een kat door het magazijn, dan bestaan er huisdierbestendige uitvoeringen die massa onder een bepaald gewicht negeren. Die moeten wel op de juiste hoogte hangen, anders werkt de correctie niet.

Magneetcontacten

Een magneetcontact bestaat uit twee delen: één op de deur of het raam, één op het kozijn. Gaan ze uit elkaar, dan is er een melding.

Dit is de eenvoudigste en meest betrouwbare detector die er is. Het voordeel is dat u alarm krijgt op het moment dat iemand binnenkomt, niet pas wanneer hij al door de ruimte loopt. Bij overhead- en roldeuren in bedrijfspanden worden zwaardere uitvoeringen gebruikt die tegen trillingen kunnen.

Glasbreukmelders

Er zijn twee soorten. De akoestische glasbreukmelder hangt in de ruimte en luistert naar de karakteristieke frequentie van brekend glas. Eén melder dekt meestal meerdere ramen. De schok- of trillingsmelder zit op het glas of het kozijn zelf en reageert op de klap.

Akoestische melders zijn eenvoudiger te plaatsen. Schokmelders zijn gerichter en geven eerder alarm, namelijk al bij de eerste tik en niet pas als de ruit eruit ligt. Bij etalages en winkelpuien is dat het overwegen waard.

Detectie buiten het pand

Hoe eerder u iemand opmerkt, hoe meer tijd de opvolging heeft. Buitendetectie zorgt dat het alarm afgaat voordat er schade is.

Gordijnmelders hangen langs de gevel en dekken een smalle verticale strook voor ramen en deuren. Actieve infraroodbarrières werken met een zender en ontvanger en slaan aan als de straal wordt onderbroken, bruikbaar langs een hek of een oprit. Voor grotere terreinen is er gronddetectie. Een kabel in de grond registreert dat er iemand overheen loopt. Die kabel is niet te zien en dus ook niet te omzeilen.

Buitendetectie vraagt om zorgvuldige inregeling. Struiken, katten en vallende bladeren zijn de klassieke oorzaken van loze meldingen. Koppel buitendetectie daarom bij voorkeur aan camerabeelden, zodat de meldkamer kan verifiëren voordat er iemand uitrijdt.

Detectoren die geen inbraak melden

In dezelfde installatie zitten vaak melders die iets heel anders doen.

Een paniekknop of overvalknop stuurt direct een stille melding naar de meldkamer, zonder sirene in het pand. Standaard in winkels, apotheken en balies.

Rook- en hittemelders kunnen op het inbraakalarm worden meegenomen als er geen volwaardige brandmeldinstallatie is. Let op: dat is iets anders dan een gecertificeerde BMI en het voldoet niet aan NEN 2535 als die verplicht is.

Verder komen we in de praktijk vaak tegen: watermelders in serverruimten en kelders, temperatuurmelders bij koelcellen, en seismische melders op kluizen die reageren op boren of slijpen.

De juiste combinatie

Bij het ontwerp draait het om lagen. De buitenschil detecteert vroeg maar is gevoeliger voor loze meldingen. De schil van deuren en ramen is betrouwbaar en meldt op het moment van binnenkomen. Volumedetectie binnen vangt wat door de eerste twee lagen glipt. Rond de waardevolle spullen zelf komt de laatste laag.

Uw risicoklasse bepaalt hoeveel lagen nodig zijn en hoe volledig de detectie moet zijn. Bij certificering is dat geen vrije keuze: het beveiligingsplan legt vast welke ruimten gedekt moeten worden.

Langs die lagen kunt u uw installatie meten: loop rond en tel wat er hangt. Zit er alleen binnendetectie en niets op deuren en ramen, dan gaat uw alarm pas af als iemand binnen staat. Kijk wat er sinds de aanleg is veranderd: een aanbouw, een loods, een kantoor dat nu opslag is. Groeide de detectie niet mee, dan dekt uw plan het pand van toen.

Welke combinatie bij uw pand past, komt uit de risicoanalyse. Zo’n analyse is bij ECE een ronde door het pand: waar komt iemand binnen, wat staat er waar, wat hangt er al. Daaruit volgt een tekening met meldergroepen per ruimte, zodat u ziet waarom elke melder er hangt. Voor bedrijfspanden loopt dat via inbraakbeveiliging voor bedrijven, voor een woning via beveiliging van woningen.

Was dit artikel nuttig?

← Terug naar Alarmsystemen

Klaar om uw beveiliging te regelen?

Vraag vandaag gratis advies aan. Wij reageren zo spoedig mogelijk en denken graag met u mee.