Een brandmeldinstallatie koppelen aan een gebouwbeheersysteem (BMS) mag, maar de rolverdeling ligt vast: het BMS leest mee en de brandmeldinstallatie blijft zelfstandig verantwoordelijk voor detectie, alarmering en het aansturen van de veiligheidsfuncties. Het BMS mag die functies niet overnemen.
Dat klinkt als een detail. Het is het punt waarop koppelingen bij oplevering worden afgekeurd.
De partij die de brandmeldinstallatie ontwerpt en oplevert, bewaakt die scheiding; bij brandbeveiliging staat wat er in zo’n installatie en in het opleverdossier hoort.
Waarom de BMI autonoom moet blijven
Een brandmeldinstallatie is een gecertificeerd systeem dat volgens NEN 2535 is opgebouwd, met bewaakte lussen, redundante voeding en een gedefinieerd gedrag bij storing. Een gebouwbeheersysteem is dat niet. Het draait op een server, krijgt updates, hangt aan een netwerk en gaat af en toe uit voor onderhoud.
Loopt de aansturing van branddeuren, liften of rookluiken via het BMS, dan hangt uw brandveiligheid aan een systeem dat niet voor die taak is gecertificeerd. Daarom lopen die sturingen rechtstreeks vanaf de brandmeldcentrale, hardwired en bewaakt.
Het BMS mag de informatie krijgen. Het mag hem niet doorgeven als schakel in de veiligheidsketen.
Hoe de koppeling er dan uitziet
In de eenvoudigste vorm gaat het via potentiaalvrije contacten op de brandmeldcentrale. Eén contact voor alarm, één voor storing, eventueel een paar voor specifieke groepen. Het BMS ziet daarmee dat er iets is en kan een melding op het scherm zetten of een e-mail sturen.
Wilt u meer detail, bijvoorbeeld welke melder precies is afgegaan, dan loopt de koppeling over een protocol. Modbus en BACnet komen het meest voor, soms via een gateway van de fabrikant van de centrale. Het BMS krijgt dan de volledige meldingstekst binnen.
In beide gevallen is de richting eenzijdig: informatie van de brandmeldcentrale naar het BMS, en niet andersom. Resetten of uitschakelen vanuit het BMS hoort er niet in te zitten. Waarom niet, leest u in brandmeldinstallatie op afstand resetten.
Wat de koppeling wel oplevert
Signalering op één plek. De gebouwbeheerder ziet brandmeldingen naast storingen aan klimaat, verlichting en toegang, en hoeft niet in vier systemen te kijken.
Snellere opvolging van storingen. Een lege accu of een lus met een fout is in het BMS zichtbaar en kan automatisch een werkbon genereren.
Betere analyse. Terugkerende meldingen op dezelfde meldergroep vallen op als u de historie op één scherm heeft.
En voor gebouwen met veel technische installaties: koppeling met de ventilatie voor rookbeheersing, waarbij de aansturing hardwired blijft en het BMS alleen de status weergeeft.
Waar het misgaat
De klassieker is dat een integrator de sturingen “handig” via het BMS regelt omdat de kabels er toch al liggen. Dat werkt tot de inspectie langskomt.
Een tweede is de netwerkkant. Een brandmeldcentrale aan het kantoornetwerk hangen zonder afscherming is vragen om problemen. Zet de koppeling in een apart segment en beperk wie erbij kan.
En een derde: koppelen zonder dit vast te leggen in het programma van eisen en het opleverdossier. Bij de eerstvolgende inspectie of bij een verbouwing weet dan niemand meer hoe het bedoeld was.
Nagaan kan met één vraag aan uw beheerder: gaan de branddeuren, liften en rookluiken ook naar hun veilige stand als het BMS uit staat voor onderhoud? Staat dat antwoord niet in het opleverdossier, dan loopt er mogelijk een sturing via het BMS die daar niet hoort.
Zo’n koppeling hoort bij de tekening te beginnen en niet bij de kabel. Wij leggen daarom eerst vast welke contacten of welk protocol het BMS krijgt en welke sturingen hardwired vanaf de centrale blijven lopen, en zetten dat in het opleverdossier zodat de volgende inspecteur het kan volgen. Daarna verzorgen we het onderhoud van uw brandmeldinstallatie.
