De beste buitencamera met nachtzicht is meestal niet de camera met het hoogste getal in de specificaties, maar de camera die op een goed verlichte plek hangt. Verlichting bepaalt of u een bruikbaar beeld krijgt of een silhouet. Daarna komt de vraag welke techniek past bij wat u wilt zien. Dat is een keuze per camerapositie; hoe ECE die maakt staat op onze pagina over camerabeveiliging.
Infrarood. De standaard. De camera schakelt ’s nachts naar zwart-wit en licht de omgeving bij met infrarood-leds die u zelf niet ziet. Betrouwbaar en goedkoop, maar met twee beperkingen: er zit een maximale reikwijdte aan, en objecten dichtbij worden overbelicht terwijl de achtergrond zwart blijft. Een auto vlak voor de lens levert dan een witte vlek op waar geen kenteken meer in te zien is.
Lowlight, ook wel starlight. Deze camera’s hebben een gevoeliger sensor en een lichtsterk objectief, waardoor ze bij weinig omgevingslicht in kleur blijven filmen. Kleur is bij herkenning een groot voordeel: een donkerblauwe jas is in zwart-wit gewoon een donkere jas. Ze hebben wel enig licht nodig, dus op een volledig donker terrein werken ze niet.
Warmtebeeld. Ziet warmte in plaats van licht en werkt dus in complete duisternis, mist en rook. Uitstekend om te detecteren dat er iemand is, ongeschikt om te zien wie het is. Op grote terreinen wordt warmtebeeld daarom gecombineerd met een gewone camera: de een detecteert, de ander zoomt in.
Dit is het punt dat het vaakst wordt overgeslagen.
Een lowlight-camera op een terrein met fatsoenlijke buitenverlichting levert een kleurenbeeld waarop u gezichten en kentekens herkent. Dezelfde camera op een pikdonker terrein levert vrijwel niets.
Zet een beeld van vanmiddag naast dat van dezelfde plek om drie uur ’s nachts. Kunt u daarop de kleur van een jas niet onderscheiden, dan ziet u dát er iemand loopt maar niet wie. Is het waziger dan vorig jaar, dan zit er condens in de behuizing of vuil op de lens.
Zet daarom eerst de verlichting goed. Gelijkmatig, zonder felle lampen recht in de lens, en zonder grote schaduwvlakken tussen de armaturen. Verlichting die aanspringt op beweging werkt afschrikkend, maar houd er rekening mee dat de camera een moment nodig heeft om zich aan te passen. Continue basisverlichting met een schakelbare versterking werkt in de praktijk beter dan alleen bewegingsverlichting.
Vraag u per camera af wat het doel is, want dat bepaalt de uitsnede en daarmee de techniek.
Wilt u zien dát er iemand is, dan volstaat infrarood of warmtebeeld met een brede uitsnede.
Wilt u iemand kunnen herkennen, dan moet die persoon voldoende beeldpunten vullen. Dat betekent dichterbij hangen of een smallere uitsnede kiezen, en bij voorkeur lowlight zodat u kleur houdt.
Wilt u kentekens vastleggen, dan is een gewone camera de verkeerde keuze. Daar hoort een kentekencamera bij met eigen infraroodverlichting en een korte sluitertijd.
Hang de camera niet te hoog. Vier meter hoogte levert prachtige beelden van schedels. Voor herkenning wilt u ongeveer op ooghoogte plus een halve meter, buiten handbereik maar niet op de dakrand.
Let op spinnen en insecten. Die worden aangetrokken door infrarood-leds en veroorzaken ’s nachts eindeloos veel valse meldingen. Een camera met de leds fysiek gescheiden van de lens heeft daar minder last van.
Kies een behuizing die tegen het weer kan en controleer de afdichting bij onderhoud. Condens in een camerabehuizing is een veelvoorkomende oorzaak van wazige nachtbeelden.
En zet slimme detectie aan die mensen en voertuigen onderscheidt van regen en beplanting. Zonder dat filter wordt bewegingsdetectie ’s nachts onbruikbaar.
De bredere afweging staat in camerabeveiliging kiezen. ECE hangt geen buitencamera op zonder er ’s avonds naar gekeken te hebben: wij bepalen per positie of infrarood, lowlight of warmtebeeld daar het werk doet. U houdt er een overzicht aan over met per camera hoogte, kijkrichting, techniek en verlichtingsadvies. Bij onderhoud bekijken wij de nachtbeelden opnieuw, want condens en vuil doen hun werk langzaam.