Gaat het brandalarm af zonder brand, dan valt dat in twee categorieën. Bij een ongewenste melding werkt de installatie precies zoals bedoeld, alleen was de rook of warmte geen brand: lasdamp, stoom uit een keuken, stof bij verbouwing. Bij een onechte melding was er helemaal geen brandverschijnsel en zit het probleem in de installatie zelf, bijvoorbeeld een vervuilde melder of een storing.
Dat onderscheid is niet academisch. Het bepaalt waar u de oplossing zoekt.
Dit artikel gaat over brandmeldinstallaties in bedrijfspanden. Gaat het om een losse rookmelder thuis, lees dan wat te doen als een rookmelder afgaat zonder reden.
Loze meldingen zijn duurder dan mensen denken. De directe kosten zijn nog het minst erge. Veel gemeenten brengen de kosten van een nodeloze uitruk in rekening, en die tellen op bij een pand dat er structureel last van heeft.
Het echte probleem is gedrag. Als het alarm elke maand een keer afgaat om niets, blijft na verloop van tijd iedereen zitten. Dan werkt de installatie technisch perfect en beschermt hij niemand meer. Dat is precies het scenario waar NEN 2535 eisen aan stelt: de installatie moet betrouwbaar detecteren én het aantal ongewenste meldingen beperkt houden.
Terugkerende meldingen zijn dus een onderhouds- en ontwerpvraag. Wat er bij een jaarlijkse beurt volgens NEN 2654 gecontroleerd en gereinigd wordt, staat bij onderhoud van de brandmeldinstallatie.
Verreweg de meeste komen neer op een verkeerde melder op een verkeerde plek. Een optische rookmelder boven een frituur, bij een laaddeur waar heftrucks uitlaatgassen achterlaten, of in een ruimte waar gelast wordt. De melder doet precies wat hij moet doen. Hij hoort daar alleen niet.
Daarna komt vervuiling. Stof in de meetkamer van een optische melder verklaart bijna altijd het patroon waarbij een melder geleidelijk steeds vaker afgaat. Bouwstof is berucht, maar ook in een schoon kantoor loopt een melder na een paar jaar vol. Vocht doet iets vergelijkbaars. Melders vlak bij een buitendeur, in een onverwarmde hal of naast een luchtbehandelingskast krijgen condens te verwerken.
Werkzaamheden zijn de derde grote categorie, en de enige waar u volledig zelf over gaat. Schilderen, slijpen, zagen, dakwerk. Wordt de betreffende meldergroep niet tijdelijk uitgeschakeld, dan gaat het mis.
Blijven over de oorzaken die triviaal klinken en dat niet zijn. Insecten en spinnen in de melder zijn in magazijnen en buitenruimten een reële en terugkerende oorzaak. En handbrandmelders worden per ongeluk ingedrukt, of niet per ongeluk. Een beschermkapje op een handbrandmelder in een publieke ruimte scheelt meer dan u zou verwachten.
Of het aan het ontwerp ligt, ziet u zelf. Loop het pand door met de meldergroepenlijst en kijk of elke ruimte nog dezelfde functie heeft als bij de aanleg. Staat er een laadstation waar eerst kantoor was, of wordt er gelast in een hal die als opslag is ingericht, dan hangt daar een melder voor het oude gebruik. Op de behuizing staat meestal een productiedatum, en melders hebben een beperkte levensduur.
De verleiding is groot om gevoeligheid terug te draaien of een melder eruit te halen. Dat is bijna altijd de verkeerde oplossing en het kan uw certificering onderuithalen. Er zijn betere routes.
Begin bij het meldertype. In een ruimte met damp of stof is een optische melder de verkeerde keuze. Een hittemelder of een RoR-melder reageert daar niet op, en in een parkeergarage of laadruimte werkt een multicriteria-melder vaak beter, die rook, warmte en soms CO combineert voordat hij alarm geeft.
Zet daarnaast verificatie in. Bij tweemeldingsafhankelijkheid alarmeert de centrale pas als een tweede melder bevestigt. Vertragingstijden geven de BHV de kans om ter plaatse te kijken voordat de doormelding vertrekt. Beide staan in NEN 2535, en beide horen in het programma van eisen te zijn vastgelegd in plaats van achteraf ingeregeld.
Leg vast hoe werkzaamheden worden afgemeld: wie een meldergroep uitschakelt, hoe lang, en wie hem weer inschakelt. Dat laatste punt is waar het in de praktijk fout gaat.
Zorg dat het onderhoud op tijd gebeurt. Jaarlijkse controle en reiniging volgens NEN 2654 haalt het gros van de vervuilingsmeldingen weg voordat ze optreden.
Houd het logboek bij: elke melding met datum, meldergroep, oorzaak en actie. Na een half jaar ziet u zonder discussie welke drie melders het probleem zijn. Zonder logboek blijft het bij het gevoel dat het “vaak” gebeurt.
Zoek eerst de oorzaak op de centrale op, ga ter plaatse kijken, en reset pas daarna. Bij een melding die is doorgemeld en waar de brandweer op af komt, reset u alleen na toestemming van de brandweer. Wie er precies bevoegd is om te resetten, staat in wie mag een brandmeldsysteem resetten.
Terugkerende meldingen zijn te herleiden. ECE begint bij het logboek en de historie in de centrale, gaat naar de melders die eruit springen en beoordeelt ter plaatse of meldertype en plaatsing nog kloppen. U hoort per melder wat er moet gebeuren: reinigen, verplaatsen, vervangen door een ander type of verificatie in de programmering. Past het ontwerp niet meer bij het pand, dan leest u erbij wat een andere opzet van de brandbeveiliging oplevert.